Voor een shantykoor blijf je staan

Voor een shantykoor blijf je staan (Herman Sandman, artikel overgenomen uit Dagblad van het Noorden, 21 juni 2016)

 

Ze zijn elke dag te horen op Delfsail: Shantykoren.

Mannen zingen over meisjes loos en drinken sailors, met één hand op de consumptiebonnen.

 

Ze zijn de buurman, de slager en de pensionado. Mannen in kiel, pet en spijkerbroek. Met stemmen als vastgelopen boren en één hand op de consumptiebonnen. Of ze vanaf de kade zingen, of vanaf een vrachtwagentrailer, voorbijlopen gaat niet. Voor een shantykoor blijf je staan.

De liedjes zijn herkenbaar, gemakkelijk mee te zingen en dioen even wegdromen naar verre oorden en die goeie oude tijd. Toen je een dronken zeeman nog in de mast hing om uit te waaien, in plaats van de GGZ in te schakelen en een meise loos brutaal de kapitein schaakte, in plaats van hem aan te klagen wegens handtastelijkheden.

Als er een evenement is waar shantykoren horen is het Delfsail. Zeemansliederen klinken er elke dag. Van gezelschappen met illustere namen zoals Magellan Singers, De Scheepsjoagers, Doekegat Piratenkoor, de Admiraliteitssjongers en de Lopster Störmvogels.

Zij zijn het topje van de ijsberg. Gezongen op schepen wordt er zo lang er schepen zijn, maar de populariteit van de shantykoren nam in de tweede helft van de twintigste eeuw een enorme vlucht. De Magellan Singers waren in 1983 een van de eersten in Nederland. In 2008 stond de tellert op 300. Ons land schijnt er heden ten dage zo’n 1200 te herbergen, plus een dertigtal vrouwenkoren. Oftewel: Shantykorten zijn een fenomeen.

 

Zingen zit de mens in het bloed, omdat het een uitlaatklep is, omdat het geest en lichaam scherpt en als sociaal bindmiddel. Want samen zingen is nog leuker. Daarbij: Nederland is een varensland. Wij hebben wel “iets” met de zee.

De zee roept, zoals Tryntsje Nauta en Meindert Talma vastlegden in fotoboek en CD over de jongens en meisjes in opleiding op het Willem Barentz instituut op Terschelling. Het water stopt nooit met geven en vooral nemen en de fascinatie gaat van generatie op generatie.

Dat aantrekken en afstoten, bekoring en vervloeking, op het ritme van eb en vloed, wordt al eeuwen bezongen in shanty’s en zeemansliederen. Het zwaarste werk wordt immers met de meeste romantiek omgeven. Zo is het in de mijnbouw en zo is het in de varenswereld.

 

Hoewel de realiteit er een was/is van ijzige kou, slopende hitte, ziedende stormen en matige kost, klinkt in de liedjes vooral een naar kitch neigende weemoed. Het is met de wind in de haren en een paar borrels op, moeilijk om biet weg te dromen bij Bloody Mary, De Zuiderzeeballade, Als de klok van Arnemuiden, of Op een zeemansgraf.

 

Een ander spect van de populariteit van shantykoren is de laagdrenpeligheid. Tekst en melodie gaan direct onder de huid zitten, meezingen is een vast element en belangrijker: iedereen kan zich bij zo’n koor aansluiten. Tenminste, als er geen ledenstop is. Voor deze vorm van kleinkunst geldt: ”Willen is kunnen”. Mits goed gesmeerd, zingen de mannen uit volle borst en jodelen de vrouwen alsof ze op de visafslag staan. Het is het enige muzikale genre met een derde helft.

Hoewel shantykoren een relatief jonge trend vormen, zijn de liedjes – er staan er zo’n 1750 op bladmuziek – al eeuwenoud.

De term “shanty’s” is hetzij een afgeleiden van het Engelse “Chant” of van het Franse “Chanter”, dat beide zingen betekent, of stamt uit het Afrikaans. Shanty staat ook voor negerhut. De slavenschepen heten Shanty’s.

De liederen hielpen het doorgaans eentonige werk te verlichten. Elk schip had in de hoogtijdagen van de zeilvaart, in de negentiende eeuw, zelfs een shantyman. Hij zong voor, de mannen zongen na.

Er zijn verschillende types, zoals “Hauling Shanty’s” (Trekken en hijsen), “Kaapstander Shanty’s (anker ophalen) en “Ballast Shanty’s (Laden en lossen). Daarnaast zijn er ceremonials, drinkliederen, farewell-songs en nummers over vrouwen, bijgeloof, tragedies en helden.

Een shantykoor loopt niet weg voor een volksliedje, maar ook niet voor opera en musical. Mits het herkenbaar is, ritmisch en het liefst melancholisch. Weemoed zit in het DNA van de zeeman, Aan boord verlangt hij naar huis en haard, eenmaal aan wal roept de zee.